DE MIDDELEEUWEN OLDAMBT

Adviezen en cultuur

over goddelijke helpers en noodhelpers

Vanaf het eerste ontstaan van het christelijk geloof ontwikkelde zich het gebruik van het aanroepen van heiligen. Men verzocht dan te bemiddelen bij god, opdat een wonder mocht plaatsvinden. In eerste instantie richtte men zich vanzelfsprekend tot God de Vader zelf en Christus, maar ook Maria en de apostelen werden aangeroepen. Dat kon in het begin alleen plaatsvinden in de persoonlijke sfeer, omdat de christenen lange tijd werden vervolgd in het Romeinse rijk, totdat er in dat rijk godsdienstvrijheid ontstond en het christendom daarna zelfs tot Romeinse staatsgodsdienst werd verheven.

Men begon op enig moment ook martelaren aan te roepen, die vanwege hun geloof de marteldood waren gestorven ten tijde van de Romeinse christenvervolgingen. Op die periode voeren vele legenden terug omtrent mannen en vrouwen, die zich met gevaar voor eigen leven inzetten voor het christelijk geloof. De legenden werden in de loop der eeuwen bloemrijk. Ze verhalen over allerlei zaken, die deze heiligen meemaakten en bovenal tot stand brachten via wonderen. Via de ontwikkeling van een cultuur van aanbidding van overblijfselen van heiligen ontstond voor de gelovigen een tastbare geloofswereld. De vele heiligen gingen als het ware de gelovigen voor op de weg naar god. In de loop der eeuwen kwamen vele relieken op even zoveel plaatsen terecht in geheel West Europa. Er ontstonden vele langere en kortere pelgrimages naar de heilige plaatsen toe. Vele gelovigen waren op zoek naar antwoorden en wonderen. Dat deed men via de vele relieken van grote aantallen heiligen, via beeltenissen van deze heiligen, via de kerk en de vieringen van het kerkelijk jaar als zodanig en men riep de heiligen aan in de persoonlijke sfeer.

Na de Hoge Middeleeuwen verslechterden de weersomstandigheden zich zodanig, dat koude en regens hun intrede deden. De voorspoedige omstandigheden van het zogenoemde Klimaatoptimum van de Hoge Middeleeuwen kwamen vanaf omstreeks 1250 ten einde. Er ontstond tijdens de 14e eeuw gaandeweg rampspoed met hongersnoden, oorlogen en epidemieën. Deze eeuw is de geschiedenis ingegaan als een rampzalige eeuw. Tijdens de grote beproevingen ontstond het gebruik, om van alle heiligen een geselecteerd aantal van veertien Goddelijke helpers aan te roepen. Daarna nam het aanroepen in de persoonlijke
sfeer van één of meerdere van deze goddelijke helpers een grote vlucht. Er was namelijk een ontwikkeling gaande naar een persoonlijkere en individuele beleving van het geloof. En in die persoonlijke beleving had men aandacht gekregen voor goddelijke helpers met speciale krachten die men nodig had. Ze werden aangeroepen voor jezelf of je naasten.

De goddelijke helpers waren heiligen, die met name werden aangeroepen als een gelovige hulp nodig had bij het herstellen van de gezondheid of wanneer deze hulp nodig had in de persoonlijke sfeer. Ze werden de Noodhelpers genoemd. Deze Noodhelpers staan ook bekend als de Veertien Heilige Helpers. Het zijn de heiligen Achatius, Barbara, Blasius, Catherina, Christophorus, Cyriacus, Dionysius, Erasmus, Eustachius, Joris, Aegidius, Margaretha, Pantaleon en Vitus. Deze heiligen waren in staat wonderen te verrichten via hun bemiddeling bij god en waren aldus in staat witte magie tot stand te brengen. Elke heilige had weer zijn eigen specialiteiten op het gebied van de gezondheid en levensomstandigheden. Een en ander vindt de oorsprong in de vele legenden, die ontstonden omtrent de heilige.

(De bovenstaande tekst is bijna volledig afkomstig uit het nog door ons uit te geven boek wonderen in de middeleeuwen, uit de serie vore ene maeltijt met smakelijcheit).