DE MIDDELEEUWEN OLDAMBT

Adviezen en cultuur

verzorging van huis, haard en personeel

In een bijzonder middeleeuws huishoudboek is te lezen hoe een grote stedelijke huishouding werd gerund. Het is het manuscript Le Ménagier de Paris van omstreeks 1393. Hierin zijn vele instructies te lezen over zeer uiteenlopende zaken, van sociale omgang, kerkbezoek, sociale bijeenkomsten en verpozing tot het aannemen van personeel, de behandeling van dat personeel, de verzorging van huis en haard, de verzorging van de moestuin, de kruidentuin, de besloten tuin en de boomgaard, hoe men moest omgaan met kleding, beddengoed, kussens en dergelijke met opberg- en reinigingsmethoden, de omgang met vuur en kaarsen, het maken van bijvoorbeeld inkt, het onderhoud van zandlopers, het weren van insekten en het maken van heerlijke geuren in huis door middel van het drogen van kruiden en rozen uit eigen tuin. Ook wordt aandacht gegeven aan voeding, de bereiding ervan in de keuken en er staan vele menu’s in beschreven, ook voor feestelijke bijeenkomsten.

Er worden aldus ook regels beschreven over de omgang met personeel. De bedienden werden aangenomen door het hoofd van de huishouding of door de gezelschapsdame. Personeel werd door hen gehuurd, betaald, in dienst gehouden en ontslagen wanneer de vrouwe des huizes dat wenste. Alvorens iemand werd aangenomen werd personeel eropuit gestuurd om bij de vorige betrekking te informeren en een getuigschrift te vragen.

Na een uitvoerig gesprek, waarbij alle gegevens werden geëvalueerd, werd de nieuwe bediende aangenomen en alles werd in een huishoudboek geschreven. Functioneerde je goed dan werd je als
bediende behandeld als een zoon of dochter. Ze ontvingen kost en inwoning, een salaris en eenmaal per jaar schoenen. Er waren tijdens de Late Middeleeuwen in de grote steden ook door vrouwen gerunde verhuurkantoren. Zij mochten op basis van stedelijke regelgeving geld vragen voor de bemiddeling van een bediende.

De huisbedienden waren hoofdbedienden, bodes, kamermeisjes, koks en keukenhulpen, een wasvrouw en een linnenvrouw, een tuinman en een paardenknecht. De dagbedienden en de seizoensbedienden waren onder andere pages en extra bedienden, kelners, (chef)koks, kruiers, oogsters, kuipers, portiers, broodsnijders, waterdragers, extra hulp voor het was- en linnengoed, een bloemenmeisje en een klerk. Personeel dat werkte op basis van stukloon bestond onder andere uit kleermakers, bontwerkers, bakkers en bijvoorbeeld schoenmakers.

De bedienden kregen rechtstreekse opdrachten die men terstond moest
uitvoeren en een opdracht was altijd op één bediende gericht. De controle van de werkzaamheden werd uitgevoerd door het hoofd van de huishouding en de gezelschapsdame, die ook als hoofd van de huishouding was aangesteld. Bij de controle van een en ander werd ook de goede verzorging van het personeel betrokken. Gezondheid en welzijn waren belangrijke zaken. Jonge bedienden tussen de 15 en 20 jaar sliepen in de nabijheid van de vrouwe des huizes. Zij moesten op dezelfde tijd opstaan en naar bed gaan. Zij verzorgde overigens deze jonge bedienden bij ziekte meestal zelf, waarbij eigen plichten even terzijde werden geschoven.