DE MIDDELEEUWEN OLDAMBT

Dagelijks leven

van goede weersomstandigheden naar een kleine ijstijd

In de nadagen van het Romeinse rijk begonnen de weersomstandigheden in West Europa sterk te verslechteren. De natte en koude omstandigheden hielden aan tot in de 9e eeuw. Daarna begon het klimaat langzaam weer op te warmen en omstreeks de millenniumwisseling leidde deze opwarming tot een beduidend milder klimaat, maar wonderwel alleen op het Noordelijk Halfrond. Men noemt deze periode met een sterke weersverbetering het Klimaatoptimum van de Hoge Middeleeuwen. In de 11e eeuw leidde de opwarming tot een stijging van de zeespiegel. In de kustgebieden van met name de Lage Landen ging in deze eeuw veel land verloren. Een stormvloed in 1014 zorgde voor de eerste doorbraak van de vrijwel gesloten kustlijn van de Lage Landen. Maar er ging ook land verloren aan weerszijden van de Grote Rivieren. Men moest (nieuwe) dijken aanleggen en deze werden verhoogd. Maar het warmere klimaat had ook gunstige gevolgen.

De periode van de Hoge Middeleeuwen was de tijd waarin West Europa zich in een stroomversnelling bevond op cultureel, maatschappelijk, economisch en wetenschappelijk gebied. De landbouwgronden werden aanzienlijk uitgebreid, er ontstonden nieuwe landbouwtechnieken, de oogsten namen toe en rechtevenredig de bevolking. In de Lage Landen en Engeland was op grote schaal druiventeelt mogelijk en konden zelfs perziken gemakkelijk gedijen. Maar dat betekende niet dat de Lage Landen geen stormvloeden kregen te verwerken. Tijdens de Hoge Middeleeuwen
waren dat er omstreeks 15 die in manuscripten staan beschreven. Door de stormvloeden ontstond onder andere het Zwin in het noordwesten van het graafschap Vlaanderen, de monding van de Oude Rijn werd volledig afgesloten van de Noordzee en langzaam begonnen de Waddenzee en de Zuiderzee te ontstaan. Deze laatste zee heette nog het Aelmere. Ondanks het klimaatoptimum, waarin de druivengaarden tot in de Lage Landen groeiden, waren de weersomstandigheden geregeld onstuimig te noemen.

Aan het einde van de Hoge Middeleeuwen omstreeks 1250 liep ook de periode van het klimaatoptimum tot een einde. West Europa kwam terecht in de Late Middeleeuwen. Dat was een geheel andere periode, waarin de weersomstandigheden beduidend verslechterden. In 1257 ontplofte de supervulkaan Samalas op het eiland Lombok, Indonesië. De vulkaan stuwde vulkanisch as en brokstukken tot wel 43 kilometer hoogte in de stratosfeer van de Aarde. Het is een uitbarsting geweest behorende tot het hoogste niveau. De aswolk verspreidde zich over de gehele Aarde, waardoor de zon werd afgeschermd. Er volgden bijzonder natte en koude jaren. Oogsten mislukten met hongersnoden tot gevolg, er ontstonden overstromingen en epidemieën. Het duurde lang voordat het klimaat zich enigszins kon herstellen en de rampspoed verhevigde zich dan ook in de volgende eeuw. Het is niet voor niets dat de 14e eeuw de geschiedenis is ingegaan als de rampeeuw van de Middeleeuwen. Er zijn wetenschappers die aannemen dat deze grote vulkaanuitbarsting de periode van de Kleine IJstijd al inluidde, een periode die eeuwen zou gaan duren. Sommige wetenschappers nemen ook aan dat door de gevolgen van de uitbarsting de zeestromingen een andere koers namen en dat het pakijs aanzienlijk begon toe te nemen.

De weersomstandigheden ontwikkelden zich gaandeweg naar een dieptepunt en vanaf omstreeks 1430 begonnen beschrijvingen op te duiken in manuscripten en kronieken van zeer koude winters, dichtgevroren rivieren, pakijs op de Noordzee, voedseltekorten en tekorten aan brandhout. Algemeen wordt aangenomen dat de Kleine IJstijd toen feitelijk begon. Deze periode is ons welbekend geworden door de vele schilderijen met prachtige winterlandschappen uit onze Gouden Eeuw. De echte winters van weleer zijn echter sporadisch geworden.